Posts tonen met het label Uilenspiegel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Uilenspiegel. Alle posts tonen

dinsdag 18 augustus 2020

De Coster: Uilenspiegel

De favoriete boeken over Vlaanderen van Luc Devoldere: 'De hunkering naar het alledaagse en huiselijke geluk' - Boeken - KnackLa Légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs van Charles De Coster

Zweig schreef in zijn boek over Émile Verhaeren dat de De Coster's Légende het begin markeert van de Belgische literatuur, zoals de Ilias dat van de Griekse.

La Liberté van 18 december 1868 schreef: 'Het is een heldendicht in proza, waarin het bloed even rijkelijk vloeit als het bier. Men zou zeggen een kermis rond een brandstapel.'

Sinds de dood van De Coster in 1879 kende de roman meer dan twintig uitgaven in het Frans, en een honderdtal in andere talen. Het boek werd uiteindelijk bekender buiten België en de francofonie, met name in Rusland waar de vertaling verscheen in 1915. Lang dachten vele Franstaligen overigens dat het boek oorspronkelijk in het 'Vlaams' was geschreven, en door De Coster in het Frans was vertaald. Het boek heeft dan ook niets met Frankrijk, maar alles met... België te maken.

Het decor is de zestiende eeuw in Vlaanderen, de Zuidelijke Nederlanden. In Damme bij Brugge wordt Uilenspiegel geboren als zoon van Claes en Soetkin. Tegelijk met hem ziet in het verre Spanje Filips II het levenslicht. Grotere tegenstelling dan tussen de open, vrij en vrank opgroeiende Uilenspiegel en het eenzame, sombere en wrede kind in het Escurial is er niet.

De tijden zijn zwart. De Coster roept een apocalyptisch land op van terreur en angst, lafheid en verklikking, geldzucht en huichelarij; een land van foltering en schavot, galgen en brandstapels. Claes komt op zo een brandstapel terecht. Zijn zoon redt een handvol as om het in een amulet om zijn hals te hangen. 'Les cendres de Claes battent sur ma poitrine' wordt de mantra van het verhaal, de prikkel die Uilenspiegel tot handelen dwingt. De omineuze zin werd in de late jaren 1980 nog geciteerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, Sjevardnadze.

Uilenspiegel wordt van een schalk een strijder voor vrijheid en een heraut van gerechtigheid, een geduldige wreker die niet vergeet, een zwerver langs ruïnes, bloed en tranen die niets vindt. Hij kiest voor de opstand tegen Spanje en voegt zich bij de Geuzen.

Hij is de geest, het vernuft van Vlaanderen ('Esprit de Flandre'). Zijn kompaan Lamme Goedzak is de maag en hart van Vlaanderen; hij glimt van het vet maar het is een eerbaar vet: 'ma graisse de Flamand, nourrie honnêtement par labeurs, fatigues et batailles'. Hij incarneert de hunkering naar het alledaagse en huiselijke geluk.

Zijn geliefde Nele is het hart van Vlaanderen, aan wie Uilenspiegel trouw blijft in de geest, zonder dat hem dat overigens belet andere vrouwen te bekennen.

Op het einde van het boek stuurt De Coster zijn held met een grandioze verdwijntruc de eeuwigheid in. Uilenspiegel verrijst uit een diepe slaap die men voor de dood houdt. Hij schudt het zand van zich af dat men over zijn lichaam heeft gegooid: 'Est-ce qu'on enterre, dit-il, Ulenspiegel, l'esprit, Nele, le coeur de la mère Flandre? Elle aussi peut dormir, mais mourir, non! Viens, Nele. Et il partit avec elle en chantant sa dixième chanson, mais nul ne sait où il chanta la dernière.'

woensdag 23 januari 2019

Uilenspiegel Tijdschrift






In 1856 verschijnt  het  eerste  nummer  van  het  satirisch  tijdschrift
L’Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires,
dat  Félicien Rops in  het  leven  riep.  Een  jaar  later  al  schrijft  journalist  Alfred  Delvau: «Blader in de collectie van de 'Uylenspiegel’ en u zal er een reeks lithoprenten in vinden die zonder te verbleken de vergelijking kunnen doorstaan met de beste tekeningen van Gavarni en van Daumier.»

«Om  te  lachen:  Daumier,  Gavarni,  Rops  of  de  uitvinding  van  het  silhouet» verkent de cynische, komische of tedere kijk van de drie kunstenaars  op  hun  tijdgenoten...  Van  de  hoepelrokken  die  over  de  Parijse voetpaden glijden tot de elegante en andere dames van lichte zeden... de  sociale  karikatuur  spaart  niemand.  De  burger,  de volkse  mens,  de kunstenaars  zelf  moeten  eraan  geloven.  Vooral  de  liefdesrelaties  worden op de korrel genomen: de echtgenoot, zijn vrouw en haar minnaar,  maar  ook  de  echtgenote,  haar  man  en  de  prostituee...
Kortom,  hier wordt  een  bijna  volledig  panorama  van  de  maatschappij  in  het  begin van de negentiende eeuw neergezet, onder de pennentrekken van deze
scherpe tot zelfs wrange «schetsers».  Het uiterlijk van de hoofdrolspelers  is  bijzonder  goed  bestudeerd  en  doet  lachen.  De lichamen,  de  kleding, de houding... alles draagt bij tot de uittekening van verrassende lichaamstypes: een silhouet krijgt vorm. 

Honoré  Daumier (1808-1879)
Hij werkt  mee aan het blad La Caricature en zijn  politieke  spotprenten  brengen  hem  zelfs  in  de gevangenis.  Hij werkt  ook  voor  het  Parijse  dagblad Charivari,
waar  zijn  zedentaferelen erg  aanslaan.  Daumier  is  ook  schilder,  tekenaar  en
beeldhouwer. 

Paul  Gavarni (1804-1866)  werd  in  Parijs  geboren.  Op  zijn  veertiende
wordt hij toegelaten tot het Conservatorium voor Kunsten en Ambach-
ten,  waar  hij  machines  leert  tekenen.  Hij  maakt  al snel  karikaturen  en
modeschetsen.  In  1833  brengt  hij Le Journal des gens du monde
uit,  dat een jaar later al bankroet is. Daarna gaat hij werk
en voor Le Charivari en L’Artiste.


« Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires » was een satirisch weekblad opgericht door een groep studenten onder leiding van Charles De Coster en Félicien Rops Het verscheen van 1856 tot 1864 en had zijn zetel te Brussel, aan de Gasthuisstraat, 4. De medewerking van Rops begon bij het eerste nummer, 3.2.56. Hij publiceerde 86 lithographies in 1856, 41 in 1857, 8 in 1858 en 11 in 1859; « La dernière incarnation de Vautrin, verschenen op 2 november 1862, wordt zijn laatse deelname aan het weekblad. De productie van Rops die zeer actief is in het begin vermindert na het huwelijk van de kunstenaar in 1857. In tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht, waren de composities van « La politique pour rire » bestemd voor het weekblad en geleverd buiten tekst in hun respectievelijke nummers. Ze zijn eveneens zorgvuldig gedrukt op mooi wit velijn of op Chinees papier en in een groene portefeuille verzameld. Uitgezonderd enkele prenten die buiten tekst gedrukt werden, zijn alle composities in voldruk, met tekst op de keerzijde; degene verschenen tijdens de eerste twee maanden van 1856 zijn, over het algemeen, op Chinees papier met tekst op de keerzijde. Enkele zijn gedrukt op donkere achtergrond

donderdag 16 augustus 2018

De Coster: Uilenspiegel






Uilenspiegel







Charles De Coster ( 1827-1879) geboren uit een Vlaamse vader en een Waalse moeder.




La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs




Légende d'Ulenspiegel (in 1867 verschenen in een slordige editie, in 1869 verscheen een gecorrigeerde versie met alle illustraties). Aanvankelijk heeft het werk maar een matig succes. Uilenspiegel verschijnt als een volksjongen, een grappenmaker, een soort anarchist... (een beweging die rond 1860 ontstaat).




Niet direct een figuur die de burgerij omhelst, maar het kan verkeren. Langzamerhand zal de figuur steeds meer tot de verbeelding spreken en in de 20ste eeuw zal de roman een internationaal succes worden (de verzetsheld blijkt vooral in de Sovjet-Unie tot de verbeelding te spreken).




De figuur





De figuur van Tijl Uilenspiegel komt in veel middeleeuwse verhalen voor. De Coster geeft hem een heldhaftig karakter. Hij wordt een Vlaamse vrijheidsheld die vecht tegen de kerkelijke en de Spaanse heerschappij. Onder de grollen is hij uit op wraak tegen de machthebbers die de kleine man onderdrukken en kapot maken (cf. de rode draad over de assen van Claes die op zijn hart kloppen).










Verschillende rijkelijk geïllustreerde uitgaven zijn verschenen. Onder meer Frans Masereel (Wolff Verlag, 1926) en Amédée Lynen (Lamertin, 1914) onderscheidden zich in dit opzicht. De eerste editie uit 1867 was versierd met veertien platen van diverse artiesten, waaronder Félicien Rops.[1] Voor de volgende druk twee jaar later waren er 32 etsen klaar.[2] Het boek was doorheen de twintigste eeuw een magneet voor illustratoren, met onder meer Jules De Bruycker (1922), Flor De Raet (1950), Paul Klein (1964), Dmitry Bisti (1965), Vojtech Tittelbach (1962), Otto Tittelbaum (1967) en Lucien Fontanarosa (1969).





Stephen Goddard:




"De Bruycker's illustrations for Ulenspiegel are important because they allow us to
identify certain recurrent pictorial themes encountered elsewhere in his oeuvre
specifically with the Ulenspiegel theme. This is the case with the headpiece for Book III
and de Slechte Maere already discussed. Another of the illustrations for Ulenspiegel
looks forward to a composition worked out in more detail some six years later. The
frontispiece of volume 2 of De Coster's Ulenspiegel (cat. 26b) is an early formulation of
Kermesse, of 1928 (cat. 34). Also titled Mendiants (Beggars), Kermesse has become
so mannered that it is difficult to read. A giant vagabond with two instruments
associated traditionally with lust and low life, the bagpipes and accordion, leads a tangle
of beggars beset with tokens of gambling, superstition, and religious devotion.93 As in
the book illustration, a caged owl, emblematic of Ulenspiegel, hangs near the
vagabond's elbow. We can enumerate further details but their cumulative effect does
little to help our understanding of the image. It might be argued that this is an
intentionally enigmatic restatement of Bosch's provocative painting of a wanderer
(variously titled the Peddler, the Landloper, and Everyman, Rotterdam, Museum
Boymans-van Beuningen), which has proven to be highly resistant to interpretation. It
must be conceded, however, that in some of De Bruycker's mature works, such as
Kermesse, in which he seems to try to revive the unleashing of imagination rooted in
Flemish lore that the First World War brought on, he succeeds primarily in parodying
himself, giving some credence to Marijnissen's quip that De Bruycker is best when he is
least himself.94 "

Station