Over René Callewaert. Richard Minne:
"een van de weinig schilders met wie ik geestelijk kontakt had".
Charles-René Callewaert
(1893-1936) volgde tussen 1909 en 1914 een opleiding aan de Koninklijke
Academie voor Schone Kunsten van Gent. De eerste jaren de lessen
Antiek Beeld en daarna de drie volgende jaren hij de klas
Levend Model
(was George Minne zijn leraar? Dat moet wel). Na de Eerste Wereldoorlog
volgde hij nog lessen en 1924 werd hij leraar tekenen aan de Academie.
Ik citeer maar wat Wikipedia schrijft:
"Hij debuteerde in romantisch realisme. Na een periode in expressionistische
stijl (1923-1926) keerde hij terug naar een grauw realisme. Zijn
onderwerpen waren stillevens, Gentse stadsgezichten, portretten en
landschappen."
Verder leer ik dat Callewaert na 1926 meer en meer verdween uit het kunstleven. Net daarvoor had het MSK Gent zijn schilderij
Pleintje in de sneeuw aangekocht. We moeten dat schilderij eens gaan bezoeken.
Verder wordt het schilderij de Daken vermeld:
Daarover leer ik (o.a. over het Patershol)
De daken is een panorama dat Callewaert schilderde en de
omgeving van zijn atelier op de 2e verdieping toont met centraal de
Drongenkapel en een boomgaard. Het atelier was gevestigd in het vroegere
Karmelietenklooster, uitgevend op de Trommelstraat. Leonard De Buck, Karel van Belle en Jules De Bruycker hadden hier ook hun schildersezel staan.
Trouwens: "
er is van Jules De Bruycker een aquarel met een
vergelijkbaar uitzicht bekend (Museum voor Schone Kunsten Gent)". Ook dat werk moeten we gaan bezoeken.
A.155 DE RODE DAKEN (JDB)
Deze aquarellen zijn gemaakt van in het Pand, nu Caemersklooster te Gent, waar Jules De Bruycker zijn kamer had in de infirmerie.
A.159 RODE DAKEN PATERSHOL GENT (JDB):
A.160 RODE DAKEN, PATERSHOL GENT:
En ook dat is interessant: Callewaert woont begin jaren 20 van 20ste eeuw in de
Hoogstraat samen met zijn moeder, een zuster en een broer (zijn atelier
bevond zich in het gewezen Karmelietenklooster). Dat moeten we aan Bruno Deneckere vertellen.
En laat ik zijn
einde (Callewaert) ook maar vermelden
gezien het iets vertelt over zijn leven
:
"Als gevolg van zijn verslaving aan morfine die hij opgelopen had
door de morfinebehandeling bij drie opeenvolgende operaties aan het
hoofd tussen 1916 en 1918, overleed hij plots op betrekkelijk jonge
leeftijd."
Op zijn blog citeert
Geert Van Damme, "Charles-René Callewaert (1893-1936): een vergeten schilder".
"Bij een op een stuk tekenpapier gekrabbelde schets noteerde hij in 1918:
"Depuis tant de nuits déja, Morphée, le doux Morphée m'a abandonné, et
c'est l'étrange dieu de la morphine qui le remplace - étrange,
captivant, despotique, mafaisant il-est; il enroule mon esprit,
alourdissant étrangement mon corps, me fait rêver de songes plus réels
que la réalité et fait de moi son esclave"."
Wat je ook interessant zal vinden (zie de foto's van Jean Ray/John Flanders die je me doorstuurde
(gevonden bij Geert Van Damme)
:
"'s Nachts zwerft Callewaert door de Gentse straten, af en toe ziet de
Gentse schrijver Raymond De Kremer (alias Jean Ray/John Flanders) hem
rondlopen. Deze noteerde hierover later in de krant De Dag (14.07.1936):
"Af en toe ontmoette ik [hem] later te Gent: een bleke man,
die bij voorkeur 's nachts als een schim voorbijschoof in de grote
schaduwen onzer oude monumenten, doch dat hij bovendien streed tegen de
duistere problemen van dit leven. Er zat neurose in zijn bloed en hij
deed denken aan De Quincey. Zijn werk en zijn leven waren aangegroeid
tot een reusachtige nachtmerrie. [...] Ware Callewaert schrijver
geworden in plaats van schilder, dan zou hij vast het sombere spoor
hebben gevolgd, waarin Dostojevsky, de goddelijke Russische neuropaat,
zo hard heeft geleden en gestreden. Maar René Callewaert was niet alleen
schilder; hij was tevens een denker en omdat hij zoveel nadacht, had
hij angst te handelen. in zijn brein was het een voortdurende
moordpartij tussen de dualiteit van geest en stof"."
En tot slot wat Richard Minne over hem schreef:
"Deze "
dualiteit van geest en stof" probeerde Callewaert tevens in
zijn werken te leggen. Richard Minne schreef hierover in Kunst.
Maandblad voor oude en jonge kunst (1930 nr. 1: 64): "
Men is er gauw bij om een schilder “litterair” te
noemen. Er wordt zelfs veel geronseld met dat woord. Maar van de twintig die
het in pejoratieven zin gebruiken zijn er geen drie die er dezelfde
omschrijving van geven. Het moet, in den wandel, nochtans dienst doen als een
soort tegenhanger van het begrip “zuivere plastiek”. Mij is dat begrip abstrakt
en onbruikbaar bij de schepping als het begrip “poésie pure” bij het maken van
een gedicht. We kunnen, omtrent dit alles, slechts vaststellen dat er,
ontegensprekelijk, en goddank!, bij de besten een wisselwerking bestaat tusschen de verscheidene
kunstuitingen. Zijn er tal van litteratoren die, om zoo te zeggen met het
penseel schrijven, er zijn ook enkele schilders die in hun doeken een zekere
gemoedstemming weten te leggen die op litteraire bronnen te[r]
uggaat. En ik zal
de laatste zijn om mij er over te beklagen. Zeker, deze kultureele aanwinst kan
voor de plastischen kunstenaar een tweesnijdend wapen worden. De mogelijkheid
bestaat dat hij er iets van zijne konstruktieve kracht bij inschiet, maar dit
is geenzins noodzakelijk. Deze aanwinst kan evengoed zijn werk een nieuwe
weelde bijzetten. Wie van u G[é]
rard de Nerval kent en de melankolieke, soms
wrange fantazie van Ch. René Callewaert weet te waardeeren zal me volkomen
begrijpen"."
"Een vergeten schilder". Zo zag hij eruit of beter zag hij zichzelf:
En zie zijn atelier:
Callewaert spitste zich niet toe op één genre, wat een anonieme criticus ooit deed besluiten (in Huys, 1964): Het schildersgenie van Callewaert kon met één genre, één school, één richting, één formule geen vrede hebben. Er leefde iets van de ziel van Faustus in hem: Zwar weiss ich viel, doch möchte ich alles wissen. Alles doorpluizen, alles voorvorsen, alle levensproblemen aanroeren, alles onderzoeken, ontleden en over alles en nog wat mediteren. Voorwaar, een mooi uitgangspunt. (Geert Vandamme)
Op het internet vind ik: Jules De Bruycker (Gent, 29 maart 1870 - aldaar, 5 september 1945) wordt net als James Ensor gerekend tot de belangrijkste Vlaamse etsers.
Het oude Gent, de Sint-Niklaaskerk en vooral de Genste inwoners waren zijn voornaamste inspiratiebron."Hij werd professor aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Hij werkte een tijdlang in hetzelfde atelier als Charles-René Callewaert. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij te Londen en hij verwierf er wereldfaam met zijn oorlogsprenten. Typisch voor zijn kunst zijn uitbeeldingen van oude volkstypes, terwijl zijn merkwaardige kathedralen (Rouen, Amiens, Antwerpen) opzien baarden. Ook volksscènes te Parijs, Brussel en Antwerpen tekenen virtuoos het alledaagse, vaak armoedige leven.
PS zie ook Baertsoen