Posts tonen met het label Baudelaire. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Baudelaire. Alle posts tonen

zaterdag 27 november 2021

Meryon (Baudelaire)

  

Baudelaire aan Victor Hugo. Parijs, 13 december 1859.

 

https://www.vertalingenvivienne.com/paginas/baudelaire-aan-victor-hugo-parijs-13-december-1859.html

 

 

Mijnheer,

    Ik verneem met grote vreugde dat mijnheer Méryon en zijn vriend en uitgever, mijnheer Delâtre, het voorstel hebben om u een exemplaar op te sturen van mooie composities naar een aantal gezichten op Parijs, die de ene heeft getekend en geëtst, en de ander, zelf kunstenaar, zorgvuldig heeft gedrukt. Ik neem de gelegenheid te baat om er een uittreksel bij te voegen over de Beeldende Kunst waarin uw naam zich opnieuw aan mijn pen heeft aangeboden. U bent in ballingschap, is dat niet de meest geschikte gelegenheid om u het hof te maken?

 

Baudelaire bespreekt het werk van Meryon (en later de werken van Victor Hugo): 

 

Door de scherpte, fijnheid en zekerheid van zijn tekening, herinnerde mijnheer Méryon aan de oude en uitstekende kopergraveurs.

Ik heb zelden de natuurlijke plechtigheid van een immense stad voorgesteld gezien met meer poëzie.

De majesteiten van die opgestapelde stenen, de klokkentorens die naar de hemel wijzen als vingers, de obelisken van de industrie die tegen het firmament hun coalities van rook spuwen, de wonderbaarlijke steigers van monumenten in restauratie, die op het solide lichaam van de architectuur hun vernieuwde architectuur zetten van zo’n paradoxale schoonheid, de tumultueuze hemel, vol woede en rancune, de diepte van de perspectieven die vergroot wordt door de gedachten van alle drama’s die er in zitten, geen van die complexe elementen waaruit het pijnlijke en glorieuze landschap van de beschaving is samengesteld is vergeten.

 

Als Victor Hugo deze prachtige prenten heeft gezien, was hij vast heel tevreden. Hij heeft, waardig weergegeven, het volgende teruggevonden:

 

 

 

donderdag 28 januari 2021

 
C.J. Traviès (1804-1859), 
door Cornelis Veth.

Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 31 · dbnl



TRAVIÈS de Villers is een van die talentvolle tijdgenooten van Daumier, die door zijn grootheid in de schaduw gesteld zijn, waarin men ze minder dan zij verdienen heeft gewaardeerd.

Wel heeft Charles Baudelaire in zijn opstel: ‘Quelques caricaturistes français’ hem waardeerende bladzijden gewijd. ‘Selon moi’ zegt hij daarin ‘c'est un artiste éminent et qui ne fut pas dans son temps délicatement apprecié.’ Anderen, als Champfleury en Arsène Alexandre hebben hem met onbegrijpelijk-wrevele woorden bedacht.

Tegenover de waardeering door tijdgenoot en nakomeling konden zich het veiligst in de nabijheid van den grooten meester bevinden zij, wier geaardheid het meest van de zijne verschilde. Zoo blijft er aan Gavarni, teekenaar van het bohémien-leven en van de lorette, voortreffelijk en precieus illustrator, nog heel wat te bewonderen, al zou men hebben erkend, dat hij minder diep en minder groot was dan Daumier. Nog meer is dit het geval met Gustave Doré, bij wien zelfs het groteske zooveel meer naar het fantastische neigde.

Ook die anderen, wier fraaie teekeningen gegraveerd werden voor de talrijke albums en ‘museums’ van dezen tijd, bloemlezingen van typeerende beschrijvingen zooals men ze hier in het land ook wel nagevolgd heeft: ‘Les Français peints par eux-mêmes’, ‘Physiologie du flâneur, du médecin’ enz. ook die anderen: de geestige petit-maître Trimolet, Meissonnier, Pauquet, Raymond Pellez staan ver genoeg van Daumier af om niet altijd tot hun schade met hem vergeleken te worden. Zelfs bij de fijn satirieke prenten van Charles Jacque zal men nog eerder tot een vergelijking met Gavarni komen. Het meest fnuikende is de nabijheid van Daumier geweest voor Monnier, somtijds voor Grandville en zeker voor Traviès.

Toch was deze een zeer bijzonder artist, wiens betrekkelijke vergetelheid alleen veroorzaakt wordt doordat hij zich geheel op hetzelfde terrein bewoog als Daumier en niet, zooals bijvoorbeeld die van Cham, wijl hij dezen navolgde. Hij maakte politieke prenten en maatschappelijke satires als de ander en was evenzeer een waarnemer van het volksleven.

(…)

Champfleury, die weinig aan hem te waardeeren kan vinden, spreekt van een telkens veranderde manier, van een pogen om de populariteit van Daumier en Gavarni tegelijk te winnen, maar mij schijnt al deze omhaal van weinig belang naast het feit dat Traviès een voortreffelijk en soms een zeer voornaam teekenaar, een prachtig lithograaf en een waarnemer met een zeer eigen temperament was. Traviès had, wat aan de meeste andere tijdgenooten van Daumier ontbrak, hij had stijl en deze komt uit in het eerste het beste houtgravuretje van zijn conceptie, zoowel als in zijn grooter steenteekeningen.

Wat de beschouwing van Traviès' werk voor hen die hem nu eenmaal bij de caricaturisten, de meesters van de ‘Art du Rire’ hadden in te deelen, waarschijnlijk onnoodig heeft vertroebeld, is het feit dat hij niet vroolijk, niet grappig was. Een caricaturist om wiens werk men niet lachen kan, bij wiens prenten het komische in het onderschrift gezakt is, en dan nog maar heel weinig komisch is - het kan niet anders of hij moet er in een bespreking van de caricatuur slecht afkomen. Maar waarom iemand altijd in een bepaald hokje met een bepaald etiket te zetten, hem behalve een naam, een soortnaam te geven als de specimina in den dierentuin?

Traviès bereikte nimmer de toppen van het hoog-dramatische en hoog-komische, waarop Daumier zich meer dan dertig jaar handhaafde, maar ofschoon verzeild onder de teekenaars van spotprenten en satirieke of humoristische illustraties, bezat hij niet het temperament van den humorist. Hij was een voortreffelijk karakterteekenaar met een, om Baudelaire nog eens te citeeren, ‘profond sentiment des joies et des douleurs du peuple.’ Zijn Liard, de voddenraper, is bewonderd zelfs door hen die zijn kunst miskenden, maar zijn werk is vol van dergelijke, en betere, volkstypen.

Moet men hem dien milderen grooteren humor ontzeggen, die Daumier eigen was, te ontkennen is het niet, dat hij in het bits, bijtend satirieke voortdurend een groote kracht van expressie toont. Het type ‘Mayeux’ hoezeer geëxploiteerd, is een forsche en bijna satanische creatie.

vrijdag 6 maart 2020

Baudelaire in België (Gent)






Ch.  Baudelaire en Gent 
Ontmoedigd door de negatieve kritiek op zijn Les fleurs du mal (wegens “immoreel”) en op de vlucht voor zijn schuldeisers, verliet hij Frankrijk in april 1864 en trok hij naar Brussel. Uit brieven (o.m. aan zijn moeder, “Madame Aupick”, met wie hij zich had verzoend) blijkt dat hij het voornemen had, een aantal voordrachten te geven in Belgische steden als Brussel, Antwerpen, Brugge, Luik en Gent (zie daarover zijn Correspondance).

Na twee voordrachten voor lege zalen liet hij het contract voor de volgende toespraken schorsen.
Terwijl zijn gestel stilaan werd ondermijnd door syfilis, nam hij zich voor, een boek te schrijven over België, onder de titel Pauvre Belgique. Daarvoor zou hij een aantal excursies doorheen het land ondernemen. Het boek bleef onafgewerkt. De gehele originele notities verschenen pas in 1952, in deel III van de Œuvres posthumes (onderdeel van de Œuvres complètes de Charles Baudelaire). 

Pauvre Belgique is een wrang pamflet, vol minachting, schimp- en scheldpartijen over de Belgen (“het stomste volk ter wereld”), de zeden en gewoonten, de Franse taal in dit land, de politiek, de architectuur, de “zwijnerij”en ga maar door. Het is zo heftig dat het vermakelijk wordt. 

Ook Gent kon hem maar weinig bekoren, getuige zijn notities: “Saint-Bavon. Population sauvage. Vieille ville de mandants en révolte, fait un peu de bande à part, et prend de petits airs de capitale. Triste ville”.

Baudelaire, Charles - Literair Gent


dinsdag 25 februari 2020

Baudelaire: le Vieux Paris


Baudelaire door Courbet

"Baudelaire de esthetica van de pure poëzie: het gaat niet om l'art pour l'art (de kunst om de kunst) maar om schoonheid, die via de fantasie wordt waargenomen"

Charles BAUDELAIRE
1821 - 1867

Le cygne

A Victor Hugo.

I

Andromaque, je pense à vous ! Ce petit fleuve,
Pauvre et triste miroir où jadis resplendit
L'immense majesté de vos douleurs de veuve,
Ce Simoïs menteur qui par vos pleurs grandit,

A fécondé soudain ma mémoire fertile,
Comme je traversais le nouveau Carrousel.
Le vieux Paris n'est plus (la forme d'une ville
Change plus vite, hélas ! que le coeur d'un mortel) ;

Je ne vois qu'en esprit, tout ce camp de baraques,
Ces tas de chapiteaux ébauchés et de fûts,
Les herbes, les gros blocs verdis par l'eau des flaques,
Et, brillant aux carreaux, le bric-à-brac confus.

Là s'étalait jadis une ménagerie ;
Là je vis, un matin, à l'heure où sous les cieux
Froids et clairs le travail s'éveille, où la voirie
Pousse un sombre ouragan dans l'air silencieux,

Un cygne qui s'était évadé de sa cage,
Et, de ses pieds palmés frottant le pavé sec,
Sur le sol raboteux traînait son blanc plumage.
Près d'un ruisseau sans eau la bête ouvrant le bec

Baignait nerveusement ses ailes dans la poudre,
Et disait, le coeur plein de son beau lac natal :
" Eau, quand donc pleuvras-tu ? quand tonneras-tu, foudre ? "
Je vois ce malheureux, mythe étrange et fatal,

Vers le ciel quelquefois, comme l'homme d'Ovide,
Vers le ciel ironique et cruellement bleu,
Sur son cou convulsif tendant sa tête avide,
Comme s'il adressait des reproches à Dieu !

II

Paris change ! mais rien dans ma mélancolie
N'a bougé ! palais neufs, échafaudages, blocs,
Vieux faubourgs, tout pour moi devient allégorie,
Et mes chers souvenirs sont plus lourds que des rocs.

Aussi devant ce Louvre une image m'opprime :
Je pense à mon grand cygne, avec ses gestes fous,
Comme les exilés, ridicule et sublime,
Et rongé d'un, désir sans trêve ! et puis à vous,

Andromaque, des bras d'un grand époux tombée,
Vil bétail, sous la main du superbe Pyrrhus,
Auprès d'un tombeau vide en extase courbée ;
Veuve d'Hector, hélas ! et femme d'Hélénus !

Je pense à la négresse, amaigrie et phtisique,
Piétinant dans la boue, et cherchant, l'oeil hagard,
Les cocotiers absents de la superbe Afrique
Derrière la muraille immense du brouillard ;

A quiconque a perdu ce qui ne se retrouve
Jamais, jamais ! à ceux qui s'abreuvent de pleurs
Et tètent la douleur comme une bonne louve !
Aux maigres orphelins séchant comme des fleurs !

Ainsi dans la forêt où mon esprit s'exile
Un vieux Souvenir sonne à plein souffle du cor !
Je pense aux matelots oubliés dans une île,
Aux captifs, aux vaincus !... à bien d'autres encor !

ANALYSE D’UN POÈME : LE CYGNE I , Baudelaire | une prof pour ses élèves
http://anneprof.unblog.fr/2017/06/19/analyse-dun-poeme-le-cygne-i-baudelaire/ 

vrijdag 10 mei 2019

Ets VIEUX PARIS 1920


J.D.B. 116 VIEUX PARIS 1920
Super staat.
Uniek exemplaar (M.)
Dit is het J.D.B. - 115
Rue de la Putterie. De artiest draaide de plaat om, maakte van de straat daken en van de daken kasseistenen
H 264-B 198
L.R.N.M.


De stadsvernieuwing

Huys: een andere versie waarbij JDB enkel de rechter bovenhelft van de plaat zou gebruikt hebben. En gedraaid. De lucht als kasseien. Met figuurjes... (76). 


 Huys (76): draaien van de plaat (180 graden), op zijn kop gezet - en dan afgewerkt.

Huys (80): in catalogus van de JDB tentoonstelling in Sint-Niklaas (1993) (32-33) staan beide prenten Vieux Bruxelles en Vieux Paris naast elkaar (80)

Huys spreekt (76) van 1908 voor Vieil Enclos (zie ook Leroy).

In zijn beroemde gedicht ‘Le cygne’ deed Charles Baudelaire de wrede uitspraak dat de stad sneller verandert dan het hart van een mens: ‘Le vieux Paris n'est plus (la forme d'une ville / Change plus vite, hélas! que le coeur d'un mortel)’.



B0221 RUE DE LA PUTTERIE A BRUXELLES

zaterdag 8 december 2018

De Boever


Over J.F. De Boever - Symbolist

Jules De Bruycker had een atelier dat hij deelde met de schilder J.F. De Boever (1872-1949) aan de ‘Tichelrei’ en daar is 'Het pand’ gevestigd in het  Caermersklooster.

Jan Frans De Boever (1872-1949).

Hij studeerde aan de Gentse Academie onder Louis Tytgadt die hem in de hogere kringen introduceerde. Zo werd hij een gevierd kunstenaar in de Salons.

Rond 1900 veranderde zijn sijl en thema’s: wulpse vrouwen, prosituées in morbiede omgeving. Dood en erotiek staan centraal. Hij creëerde een eigen vorm van symbolisme aansluitend bij het decadentisme. Invloeden van literatuur en muziek.
De Boever maakte gouaches (tussen 1914 en 1924) bij de dichtbundel Les Fleurs du mal van Charles Baudelaires.





Naj.Boddart@gmail.com

 

 

Onderwerp: JDB en JFDB

Datum: 7 juli 2021 om 19:31:49 CEST

Aan: John De Bruycker <johndebruycker@telenet.be>

 

Dag John, hoever sta je nu met uw oeuvrecatalogus van De Bruycker? Zijn er al meer dan 2 exemplaren?

Zelf ben ik al weken en weken bezig met het herlezen en controleren van mijn oeuvrecatalogus van De Boever. Er blijven nog altijd foutjes (vooral tikfouten) aan het licht komen waar ik de eerste keren gewoon over gelezen heb. Ook heb ik de fotokwaliteit van de ongeveer 850 foto's met photoshop bijgewerkt, wat ook heel arbeidsintensief was. Mijn bedoeling om alles bij de drukker te hebben voor de verlofperiode zal dus niet lukken. Er komen ook geregeld nog nieuwe zaken te voorschijn, die ik natuurlijk wil invoegen.

Vorige week contacteerde mij iemand die een collectie schilderijen van De Boever blijkt te hebben van meer dan 40 stuks. Gelukkig was er maar één enkel schilderij bij dat ik nog niet gezien had. Maar er zijn er wel een aantal bij waarvan mijn eigen foto, soms 20 of 30 jaar geleden gemaakt, van minder goede kwaliteit is; ik ga er dus binnenkort nieuwe foto's van gaan maken voor in het boek.

 

Mijn perfectionisme (want wellicht wordt dit de aller- allerlaatste druk) dwingt mij ook om nog een en ander te controleren. Je zal je nog herinneren dat ik u bij onze kennismaking een tekst uit 1931 gaf van de kunstcriticus Achille Cavens waarin stond dat De Boever en De Bruycker met Dessenis nog een atelier gedeeld hadden aan de Tichelrei. Ik was dit nog niet gaan verifiëren, omdat ik dacht dat hierover niets te vinden zou zijn. Vorige week controleerde ik toch nog eens de verschillende adressen van De Boever in De Zwarte Doos, in de "Dubbele Wegwijzer der Stad Gent" van de verschillende jaargangen, omdat ik dat indertijd aan mijn co-auteur van de eerste druk had overgelaten. Tot mijn verbazing vond ik in de editie van 1898 als adres: De Boever G, landschapschilder, Tichelrei 9 Gent. Blijkbaar heeft mijn co-auteur gedacht dat het een andere schilder betrof. Maar de initiaal "G" is gewoon een drukfout, het moet "J" zijn. Pas in de editie van 1899 is het De Boever J, landschapschilder, geworden; met dan als zijn adres Begijnenstraat 1. Het zou nog tot 1904 duren vooraleer De Boever zich in deze stadsgids geen "landschapschilder" meer liet noemen, maar "Genre et portraits".

 

Ik had nooit gedacht dat Tichelrei ooit een officieel adres van De Boever geweest was; ik dacht dat hij daar enkel een atelier had maar er niet woonde. Maar nu weet je dus ook waar De Bruycker nog zijn atelier heeft gehad: Tichelrei 9, het adres dus waar Frans Hellens De Bruycker heeft leren kennen. Dat is dus aan de Tichelrei aan de linkerkant, vlakbij de 'vroegere Korte Steenstraat', nu 'Grauwpoort'.

 

Groeten,

Jan


Station