Posts tonen met het label Gavarni. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gavarni. Alle posts tonen

donderdag 28 januari 2021

 
C.J. Traviès (1804-1859), 
door Cornelis Veth.

Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 31 · dbnl



TRAVIÈS de Villers is een van die talentvolle tijdgenooten van Daumier, die door zijn grootheid in de schaduw gesteld zijn, waarin men ze minder dan zij verdienen heeft gewaardeerd.

Wel heeft Charles Baudelaire in zijn opstel: ‘Quelques caricaturistes français’ hem waardeerende bladzijden gewijd. ‘Selon moi’ zegt hij daarin ‘c'est un artiste éminent et qui ne fut pas dans son temps délicatement apprecié.’ Anderen, als Champfleury en Arsène Alexandre hebben hem met onbegrijpelijk-wrevele woorden bedacht.

Tegenover de waardeering door tijdgenoot en nakomeling konden zich het veiligst in de nabijheid van den grooten meester bevinden zij, wier geaardheid het meest van de zijne verschilde. Zoo blijft er aan Gavarni, teekenaar van het bohémien-leven en van de lorette, voortreffelijk en precieus illustrator, nog heel wat te bewonderen, al zou men hebben erkend, dat hij minder diep en minder groot was dan Daumier. Nog meer is dit het geval met Gustave Doré, bij wien zelfs het groteske zooveel meer naar het fantastische neigde.

Ook die anderen, wier fraaie teekeningen gegraveerd werden voor de talrijke albums en ‘museums’ van dezen tijd, bloemlezingen van typeerende beschrijvingen zooals men ze hier in het land ook wel nagevolgd heeft: ‘Les Français peints par eux-mêmes’, ‘Physiologie du flâneur, du médecin’ enz. ook die anderen: de geestige petit-maître Trimolet, Meissonnier, Pauquet, Raymond Pellez staan ver genoeg van Daumier af om niet altijd tot hun schade met hem vergeleken te worden. Zelfs bij de fijn satirieke prenten van Charles Jacque zal men nog eerder tot een vergelijking met Gavarni komen. Het meest fnuikende is de nabijheid van Daumier geweest voor Monnier, somtijds voor Grandville en zeker voor Traviès.

Toch was deze een zeer bijzonder artist, wiens betrekkelijke vergetelheid alleen veroorzaakt wordt doordat hij zich geheel op hetzelfde terrein bewoog als Daumier en niet, zooals bijvoorbeeld die van Cham, wijl hij dezen navolgde. Hij maakte politieke prenten en maatschappelijke satires als de ander en was evenzeer een waarnemer van het volksleven.

(…)

Champfleury, die weinig aan hem te waardeeren kan vinden, spreekt van een telkens veranderde manier, van een pogen om de populariteit van Daumier en Gavarni tegelijk te winnen, maar mij schijnt al deze omhaal van weinig belang naast het feit dat Traviès een voortreffelijk en soms een zeer voornaam teekenaar, een prachtig lithograaf en een waarnemer met een zeer eigen temperament was. Traviès had, wat aan de meeste andere tijdgenooten van Daumier ontbrak, hij had stijl en deze komt uit in het eerste het beste houtgravuretje van zijn conceptie, zoowel als in zijn grooter steenteekeningen.

Wat de beschouwing van Traviès' werk voor hen die hem nu eenmaal bij de caricaturisten, de meesters van de ‘Art du Rire’ hadden in te deelen, waarschijnlijk onnoodig heeft vertroebeld, is het feit dat hij niet vroolijk, niet grappig was. Een caricaturist om wiens werk men niet lachen kan, bij wiens prenten het komische in het onderschrift gezakt is, en dan nog maar heel weinig komisch is - het kan niet anders of hij moet er in een bespreking van de caricatuur slecht afkomen. Maar waarom iemand altijd in een bepaald hokje met een bepaald etiket te zetten, hem behalve een naam, een soortnaam te geven als de specimina in den dierentuin?

Traviès bereikte nimmer de toppen van het hoog-dramatische en hoog-komische, waarop Daumier zich meer dan dertig jaar handhaafde, maar ofschoon verzeild onder de teekenaars van spotprenten en satirieke of humoristische illustraties, bezat hij niet het temperament van den humorist. Hij was een voortreffelijk karakterteekenaar met een, om Baudelaire nog eens te citeeren, ‘profond sentiment des joies et des douleurs du peuple.’ Zijn Liard, de voddenraper, is bewonderd zelfs door hen die zijn kunst miskenden, maar zijn werk is vol van dergelijke, en betere, volkstypen.

Moet men hem dien milderen grooteren humor ontzeggen, die Daumier eigen was, te ontkennen is het niet, dat hij in het bits, bijtend satirieke voortdurend een groote kracht van expressie toont. Het type ‘Mayeux’ hoezeer geëxploiteerd, is een forsche en bijna satanische creatie.

woensdag 23 januari 2019

Uilenspiegel Tijdschrift






In 1856 verschijnt  het  eerste  nummer  van  het  satirisch  tijdschrift
L’Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires,
dat  Félicien Rops in  het  leven  riep.  Een  jaar  later  al  schrijft  journalist  Alfred  Delvau: «Blader in de collectie van de 'Uylenspiegel’ en u zal er een reeks lithoprenten in vinden die zonder te verbleken de vergelijking kunnen doorstaan met de beste tekeningen van Gavarni en van Daumier.»

«Om  te  lachen:  Daumier,  Gavarni,  Rops  of  de  uitvinding  van  het  silhouet» verkent de cynische, komische of tedere kijk van de drie kunstenaars  op  hun  tijdgenoten...  Van  de  hoepelrokken  die  over  de  Parijse voetpaden glijden tot de elegante en andere dames van lichte zeden... de  sociale  karikatuur  spaart  niemand.  De  burger,  de volkse  mens,  de kunstenaars  zelf  moeten  eraan  geloven.  Vooral  de  liefdesrelaties  worden op de korrel genomen: de echtgenoot, zijn vrouw en haar minnaar,  maar  ook  de  echtgenote,  haar  man  en  de  prostituee...
Kortom,  hier wordt  een  bijna  volledig  panorama  van  de  maatschappij  in  het  begin van de negentiende eeuw neergezet, onder de pennentrekken van deze
scherpe tot zelfs wrange «schetsers».  Het uiterlijk van de hoofdrolspelers  is  bijzonder  goed  bestudeerd  en  doet  lachen.  De lichamen,  de  kleding, de houding... alles draagt bij tot de uittekening van verrassende lichaamstypes: een silhouet krijgt vorm. 

Honoré  Daumier (1808-1879)
Hij werkt  mee aan het blad La Caricature en zijn  politieke  spotprenten  brengen  hem  zelfs  in  de gevangenis.  Hij werkt  ook  voor  het  Parijse  dagblad Charivari,
waar  zijn  zedentaferelen erg  aanslaan.  Daumier  is  ook  schilder,  tekenaar  en
beeldhouwer. 

Paul  Gavarni (1804-1866)  werd  in  Parijs  geboren.  Op  zijn  veertiende
wordt hij toegelaten tot het Conservatorium voor Kunsten en Ambach-
ten,  waar  hij  machines  leert  tekenen.  Hij  maakt  al snel  karikaturen  en
modeschetsen.  In  1833  brengt  hij Le Journal des gens du monde
uit,  dat een jaar later al bankroet is. Daarna gaat hij werk
en voor Le Charivari en L’Artiste.


« Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires » was een satirisch weekblad opgericht door een groep studenten onder leiding van Charles De Coster en Félicien Rops Het verscheen van 1856 tot 1864 en had zijn zetel te Brussel, aan de Gasthuisstraat, 4. De medewerking van Rops begon bij het eerste nummer, 3.2.56. Hij publiceerde 86 lithographies in 1856, 41 in 1857, 8 in 1858 en 11 in 1859; « La dernière incarnation de Vautrin, verschenen op 2 november 1862, wordt zijn laatse deelname aan het weekblad. De productie van Rops die zeer actief is in het begin vermindert na het huwelijk van de kunstenaar in 1857. In tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht, waren de composities van « La politique pour rire » bestemd voor het weekblad en geleverd buiten tekst in hun respectievelijke nummers. Ze zijn eveneens zorgvuldig gedrukt op mooi wit velijn of op Chinees papier en in een groene portefeuille verzameld. Uitgezonderd enkele prenten die buiten tekst gedrukt werden, zijn alle composities in voldruk, met tekst op de keerzijde; degene verschenen tijdens de eerste twee maanden van 1856 zijn, over het algemeen, op Chinees papier met tekst op de keerzijde. Enkele zijn gedrukt op donkere achtergrond

zondag 30 september 2018

Silhouet karikatuur



OM TE LACHEN! DAUMIER, GAVARNI, ROPS : DE UITVINDING VAN HET SILHOUET.
Museum Rops (Namen) (24 september 2010 tot 9 januari 2011


In 1856 verschijnt het eerste nummer van het satirisch tijdschrift L’Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires, dat Félicien Rops in het leven riep. 

Een jaar later al schrijft journalist Alfred Delvau:
«Blader in de collectie van de 'Uylenspiegel’ en u zal er een reeks lithoprenten in vinden die zonder te verbleken de vergelijking kunnen doorstaan met de beste tekeningen van Gavarni en van Daumier.»

Toch zal het bijna nog anderhalve eeuw duren tot een tentoonstelling deze drie getalenteerde karikaturisten onder één dak samenbrengt...

«Om te lachen: Daumier, Gavarni, Rops of de uitvinding van het silhouet» verkent de cynische, komische of tedere kijk van de drie kunstenaars op hun tijdgenoten... Van de hoepelrokken die over de Parijse voetpaden glijden tot de elegante en andere dames van lichte zeden... de sociale karikatuur spaart niemand. De burger, de volkse mens, de kunstenaars zelf moeten eraan geloven. Vooral de liefdesrelaties worden op de korrel genomen: de echtgenoot, zijn vrouw en haar minnaar, maar ook de echtgenote, haar man en de prostituee...

Kortom, hier wordt een bijna volledig panorama van de maatschappij in het begin
van de negentiende eeuw neergezet, onder de pennentrekken van deze scherpe tot zelfs wrange «schetsers». Het uiterlijk van de hoofdrolspelers is bijzonder goed bestudeerd en doet lachen. De lichamen, de kleding, de houding... alles draagt bij tot de uittekening van verrassende lichaamstypes: een silhouet krijgt vorm.

Honoré Daumier (1808-1879).  In 1816 vestigt hij zich met zijn ouders in Parijs. Hij werkt mee aan het blad La Caricature en zijn politieke spotprenten brengen hem zelfs in de
gevangenis. Hij werkt ook voor het Parijse dagblad Charivari, waar zijn zedentaferelen
erg aanslaan. Daumier is ook schilder, tekenaar en beeldhouwer. Hij sterft in Valmondois, op enkele kilometers van L’Isle-Adam, op 10 februari 1879.

Paul Gavarni (Parijs 1804-1866). Op zijn veertiende wordt hij toegelaten tot het Conservatorium voor Kunsten en Ambachten, waar hij machines leert tekenen. Hij maakt al snel karikaturen en modeschetsen. In 1833 brengt hij Le Journal des gens du monde uit, dat een jaar later al bankroet is. Daarna gaat hij werk en voor Le Charivari en L’Artiste. 

Station